Overzicht toprisico's
In de voorbereiding op deze jaarstukken zijn de risico’s geïnventariseerd en geactualiseerd. In het hieronder weergegeven overzicht zijn de risico's gepresenteerd met de grootste netto impact; dat wil zeggen effect x kans groter dan € 250.000.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Opmerking: Ontwikkeling weerstandsvermogen Marktontwikkelingen en weerstandsvermogen CPB maart 2026 De arbeidsmarkt blijft ook in 2026 structureel krap. Hoewel het werkloosheidspercentage volgens het CPB licht oploopt naar 4,0%, blijft de vraag naar personeel in cruciale sectoren als zorg, jeugd en onderwijs onverminderd hoog. Voor gemeenten is het werven en behouden van personeel hierdoor een blijvende uitdaging. De inzet van externe capaciteit is bovendien complexer geworden: door de strikte handhaving op schijnzelfstandigheid die begin 2026 volledig van kracht is geworden, is het aantal beschikbare zzp’ers in de publieke sector fors afgenomen. Gemeenten die voorheen leunden op zelfstandigen voor tijdelijke opdrachten, ervaren nu meer hinder bij het invullen van hun formatie en het borgen van continuïteit. Hoewel de armoede begin 2025 een dalende lijn vertoonde door lastenverlichting en hogere toeslagen, is het huidige beeld grilliger geworden. De recente escalatie in het Midden-Oosten en de betrokkenheid van Iran hebben de energieprijzen opnieuw opgestuwd, waardoor de eerdere koopkrachtwinst deels wordt weggevaagd. Ondanks de nieuwe, ruimere armoededefinitie van CBS, SCP en Nibud, blijft de armoede-intensiteit (de afstand tot de armoedegrens) voor kwetsbare huishoudens zorgwekkend groot. Voor gemeenten betekent dit dat de verwachte afname van de hulpvraag stagneert; de stijgende energiekosten dwingen tot een hernieuwde focus op energiearmoede en flankerend armoedebeleid. De CEP-raming van maart 2026 bevestigt dat gemeenten klem zitten: de loon- en inkoopkosten stijgen hard, terwijl de druk op het sociaal domein door de onrust rond Iran en hernieuwde energiearmoede onverminderd groot blijft. Met de aanhoudende personele krapte, is de financiële ruimte voor gemeenten kritiek. Dit dwingt tot een uiterst sobere begrotingsdiscipline en de opgave om duidelijke politieke keuzes te maken, waarbij de maatschappelijke onderbouwing en de zorg voor kwetsbare inwoners zwaarder wegen dan ooit. Toelichting op risico's 1. Grondexploitaties Dit risicoprofiel van € 2,1 miljoen bestaat onder andere uit risico’s die worden veroorzaakt door projecten die zich in de beginfase van de ontwikkeling bevinden, zoals Vestersbos en Businesspark 7Poort II. In deze fase zijn nog veel onzekerheden en kunnen risico’s in de toekomst plaatsvinden. Risico’s waar we geen grip op hebben zoals kostenstijging en vertraging in de gronduitgifte worden daarom meegenomen in het risicoprofiel. Ook met de prijsstijging van materialen is rekening gehouden. Hoe het prijsverloop verder zal gaan is onzeker en vormt daarom een risico.In de paragraaf Grondbeleid is een nadere analyse van het risico per project opgenomen. Grondposities 2. Aantrekken en behouden gekwalificeerd personeel Als grondslag voor het bepalen van het risico gebruiken wij de geraamde salarislasten als basis. Het risico bepalen wij op 5% van de geraamde salarislasten en bedraagt daarmee € 1,6 miljoen met een kans van 70%. |
3. Algemene uitkering
De jaarlijkse verhogingen of verlagingen (het accres) van het gemeentefonds zijn onzeker. Zeker sinds de invoering van het nieuwe stelsel, waarbij gemeenten compensatie ontvangen op basis van de ontwikkeling van het BBP die niet gelijk is aan de inflatieontwikkeling voor het grootste deel van de kosten. Als de economie stagneert, maar de inflatie hoog blijft zullen zal dit een tekort tot gevolg hebben. Het risico is bepaald op 2,1 miljoen, dit is 2% van 106 miljoen.
4. Verbonden partijen
De totale jaarlijkse bijdrage van onze gemeente aan verbonden partijen is 29 miljoen. Het risico bestaat dat verbonden partijen in een bepaald jaar een hogere bijdrage nodig hebben dan begroot. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan bij onverwachte tegenvallers in hun exploitatie. Ook zit er een financieel gat tussen de werkelijke benodigde indexatie bij verbonden partijen en hetgeen wij ontvangen van het Rijk. Omdat de verbonden partijen in hoofdzaak niet beschikken over een eigen weerstandsvermogen, worden deze tegenvallers in rekening gebracht bij de gemeente. Door de huidige economische situatie is de kans groter dat er tekorten ontstaan bij verbonden partijen, die zij niet zelf kunnen opvangen.
5. Bylandse brug
De Bylandse brug verkeert in slechte staat en moet op (korte) termijn vervangen worden. Het wegvak over de brug is openbaar en de brug is in particulier eigendom van de steenfabriek Tolkamer. De eigenaar stelt dat hij wel eigenaar is maar niet onderhoudsplichtig. De gemeente stelt dat de particuliere eigenaar onderhoudsplichtig is omdat zij in het verleden en nog steeds onderhoud uitvoert. Het risico bestaat dat de gemeente als onderhoudsplichtige wordt aangemerkt en dus ook de kosten voor vervanging op zich moet nemen. In het meerjareninvesteringsplan voor vervanging van kunstwerken is met deze vervanging geen rekening gehouden. De kosten voor vervanging worden geraamd op € 1.500.000 tot € 2.000.000. De kans dat de gemeente volledig opdraait voor vervanging schatten we nu in op 30%.
6. Verduurzaming gemeentelijk vastgoed
Als onderdeel van het integraal accommodatieplan is een financiële doorrekening gemaakt van € 24 miljoen aan verduurzamende maatregelen voor het gemeentelijk vastgoed. Dit gaat om investeringen in verduurzaming van bestaande bouw en vervangende nieuwbouw in een tijdshorizon van de komende 20 jaar. Wij schatten in dat een afwijkingsrisico van 25% aanwezig is omdat dit op kengetallen is gebaseerd.
Ervan uitgaande dat we op termijn via de kadernota/begroting de investeringsbedragen beschikbaar krijgen, zien wij een risico van zo’n 6 miljoen dat extra investeringen nodig zijn. Het bedrag van € 6 miljoen heeft betrekking op de totale investering voor de komende 20 jaar. Deze totale investering wordt niet in één keer aangevraagd maar jaarlijks een deel op basis van een investeringsprogramma. Voor de risicoberekening gaan we uit van een periode van 4 jaar. We houden rekening met een risico van € 1,2 miljoen (24 miljoen x 25% = 6 miljoen / 5). De kans is 50%.
7. en 8.. Sociaal domein
Algemene ontwikkeling
De prognose voor het gebruik van jeugdzorg en Wmo is gebaseerd op de werkelijke uitgaven, verhoogd met de verwachte ontwikkelingen in prijs en aantal cliënten. Wij zijn hierbij afhankelijk van factoren die buiten onze invloedssfeer liggen. Een andere factor die buiten onze invloedssfeer ligt is de beschikbaarheid van zorg. De beschikbaarheid staat onder druk, waardoor inwoners niet gelijk kunnen worden geholpen. Hierdoor bestaat het risico dat alternatieve (tussentijdse) zorg ingezet moet worden. Daarnaast hebben ook niet voorspelde demografische ontwikkelingen invloed op de gerealiseerde kosten. In de monitor sociaal domein wordt u geïnformeerd over de ontwikkelingen in de huidige jaar.
Als algemeen risico wordt op basis van het huidige kostenniveau voor de gemeente Zevenaar een bedrag van € 750.000 aangehouden.
Hervormingsagenda jeugd
De commissie van Ark heeft in het kader van de hervormingsagenda in 2025 een onderzoek uitgevoerd. De Hervormingsagenda Jeugd is noodzakelijk, maar op zichzelf onvoldoende om de problematiek in de jeugdzorg het hoofd te bieden. Dat concludeert de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd in het rapport ‘Groeipijn’.
In de raadsvergadering van 25 februari 2026 heeft de raad besloten om de ontvangen compensatie over 2023 en 2024 naar aanleiding van het rapport Van Ark te gebruiken voor het versterken van de sociale basis. In de voorjaarsnota zijn door het Rijk wel aanpassingen gedaan, maar de financiële onzekerheid blijft en is toegenomen vanaf 2028. Naar verwachting worden in 2028 middelen vervangen door maatregelen. Deze moeten door wetgeving mogelijk worden gemaakt en gezien de ervaring met het verleden en het nieuwe kabinet blijft de onzekerheid hoog.
In relatie tot de hervormingsagenda, eigen bijdrage en compensatie houden wij rekening met een risico van 5% van het saldo van de bestedingen in programma 6, zijnde 3 miljoen. De kans dat de onzekerheden dit negatieve effect hebben schatten we in op 20%.
9. Hogere onderhoudskosten door grondroeringen van nutsbedrijven
In verband met de energietransitie renoveren en vergroten nutsbedrijven hun netwerk van kabels en leidingen. Onder meer in Babberich, Giesbeek en Pannerden gaan projecten en uitbreidingen van start.
Met maximale inzet wordt de planning van gemeentelijke projecten afgestemd op de planningen van de werkzaamheden door de nutsbedrijven. Dit lukt niet altijd met als gevolg degeneratie (verval) van wegen met hogere onderhoudskosten als gevolg. Bijkomend risico is de aanwezigheid van asbest in de grond. Met het verwijderen van asbest zijn hoge kosten gemoeid en een geschil kan ontstaan wie voor deze kosten opdraait. We schatten het totale risico hiermee in op € 800.000.
10. Dividend deelnemingen
We ramen in de begroting dividendinkomsten van Alliander, Ataro en BNG. Het risico bestaat dat dividendinkomsten lager uitvallen, bijvoorbeeld door tegenvallende bedrijfsresultaten.
11. Tekort I-deel/ BUIG
Gemeenten ontvangen van het Rijk een gebundelde uitkering (BUIG) voor het bekostigen van de uitkeringen. Het risico van het tekort op het BUIG-budget fluctueert. Boven de 12,5% worden tekorten volledig gecompenseerd door de vangnetuitkering. Gemiddeld rekening houdend met vangnetuitkeringen is het tekort € 600.000 en 50%.
12. Wachtgeld wethouders
Om de huidige wethouders te beschermen tegen de gevolgen van werkloosheid na het wethouderschap geldt een wachtgeldregeling. Na het wethouderschap ontvangt een wethouder een Appa-ontslaguitkering, tenzij de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. Dit is geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Waarom het wethouderschap beëindigd is hierbij niet van belang; het recht op de uitkering bestaat ongeacht de reden van het aftreden. De specifieke aanspraak en omvang kunnen pas worden bepaald op het moment dat zich dit voordoet.
13. Uitval ICT-systemen
Een storing in de ICT-omgeving heeft directe gevolgen voor de continuïteit van gemeentelijke dienstverlening. Denk hierbij aan het tijdelijk niet beschikbaar zijn van systemen voor burgerzaken, vergunningverlening, sociale dienstverlening en interne bedrijfsvoering. De kwetsbaarheid van de ICT-infrastructuur wordt versterkt door beperkte personele capaciteit, krapte op de arbeidsmarkt, afhankelijkheid van externe leveranciers en een achterblijvende innovatiekracht.
Wij schatten het risico in op een financiële impact van € 500.000 met een waarschijnlijkheid van 50%. Deze inschatting is gebaseerd op een scenario waarbij systemen enkele dagen niet beschikbaar zijn door een technische storing of een cyberincident. In het geval van een ransomware-aanval kunnen de kosten aanzienlijk hoger uitvallen door herstelwerkzaamheden, aanvullende beveiligingsmaatregelen, juridische en bestuurlijke verantwoording en reputatieschade.
Ontwikkelingen
Volgens het meest recente dreigingsbeeld van de Informatiebeveiligingsdienst (IBD) neemt de kans op incidenten zoals ransomware, phishing en verstoringen bij leveranciers toe. Gemeenten worden opgeroepen om hun digitale weerbaarheid structureel te versterken. De doorontwikkeling van de Regionale ICT-Dienst (RID) en het versterken van de I-organisatie dragen bij aan het beheersbaar maken van dit risico op de lange termijn.
14. Aangescherpte ramingen / budgetoverschrijdingen
Als gevolg van de financieel onzekere situatie waarin gemeenten zich bevinden en de daarop gemaakte keuzes is onze begroting gevoeliger geworden voor onvoorziene omstandigheden en onverwachte ontwikkelingen. We zijn genoodzaakt om risicovoller te ramen. In het kader van de indexatie zijn in de meerjarenbegroting 2026-2029 alle budgetten zorgvuldig langsgelopen. Evenwel blijft er een risico bestaan op budgetoverschrijdingen. Waar dit toe zal leiden is onbekend en betekent een risico in onze begroting.
